De onderzoeksgroep “Architectuur” is een van de vier onderzoeksgroepen binnen de afdeling BATir van de Faculteit voor Toegepaste Wetenschappen van de Université Libre de Bruxelles (ULB).
Deze nieuwe onderzoeksgroep werd in 2009 opgericht met de komst van de nieuwe leerstoel “Duurzame architectuur” van de ULB.
Aan het hoofd van deze groep staat Kristel de Myttenaere. Zij was voordien actief als onderzoekster en docent, eerst binnen de afdeling “Architectuur en klimaat” van de UCL onder professor André De Herde en later aan de Universiteit van Göteborg.
Haar doctoraatsverhandeling over de integratie van duurzame ontwikkeling in architectuurontwerp maakte haar tot de perfecte kandidate voor deze functie. Uit dit onderzoek vloeien drie soorten vragen voort over de duurzaamheid van architectuur die op hun beurt het onderwerp zullen uitmaken van doctoraatsverhandelingen of onderzoeksprojecten.
In november 2010 kon de onderzoeksgroep al een medewerker aanwerven met het oog op de ontwikkeling van een multifactoriële en interdisciplinaire methode voor de energie- en koolstofbeoordeling van gebouwen. De einddoelstelling van dit onderzoek is te komen tot een echte energieafdruk van gebouwen.
Waarover gaat het precies?
Op dit ogenblik gaat er heel wat aandacht uit naar de energieprestaties van gebouwen, vooral onder invloed van de Europese richtlijn die het gebruik van energie binnen gebouwen aan banden wil leggen. Maar in de praktijk stellen we vast dat gebouwen die ontworpen werden met het oog op sterke energieprestaties bij het gebruik minder goed presteren. Dit is te wijten aan het gedrag van de bewoners.
Het onderzoek wil gebouwen dus opnieuw binnen hun temporele en spatiale context plaatsen en rekening houden met de volledige impact van een gebouw, inclusief de constructie, renovatie, het onderhoud, maar ook de levensstijl van de gebruikers op het vlak van verplaatsingen en andere consumptieactiviteiten.
Deze volledig nieuwe benadering vereist een aantal multidisciplinaire competenties, vooral wegens de kwantificering van de energiestromen en de studie van het menselijk gedrag.
Twee andere onderzoeken wachten nog op financiering.
De wens om een passiefhuis te bouwen duwt bewuste mensen de stad uit om een nieuwe woning te bouwen op ongerept terrein buiten de stad. Maar de afstand tot de activiteits- en consumptiecentra zet hen enigszins aan tot het gebruik van de auto. Door dus op dit ogenblik het label ‘passief’ te stimuleren, lokt de wetgever in feite een gevaarlijk secundair fenomeen uit, namelijk de leegstand van appartementen in de stad. Het probleem van de verdichting van Brussel staat centraal in deze bezorgdheid om ontstedelijking te voorkomen, die gepaard gaat met een kostprijs op milieu-, maatschappelijk en economisch vlak waar momenteel geen rekening mee gehouden wordt.
Een ander onderzoek heeft betrekking op het gebruik van materialen. Ook hier wordt vanuit een holistische benadering onderzocht wat de meest geschikte materialen zijn voor het architectuurproject. Er wordt vaak aangehaald dat rekening moet worden gehouden met de grijze energie die verbruikt werd voor de productie van de materialen en dat moet gekozen worden voor materialen met het laagste gehalte aan grijze energie. Maar deze berekening wordt niet voor alle materialen uitgevoerd. Hout geniet bijvoorbeeld nog steeds de voorkeur wanneer we danken aan een milieuvriendelijke constructie, maar hout levert mogelijk niet de beste prestaties voor een bepaald architectuurproject. Beton is in sommige gevallen misschien beter geschikt en laat ook het gebruik van minder materialen toe.
De bedoeling is te komen tot een methodologie en instrument die architecten de mogelijkheid bieden om te kiezen voor de materialen die het beste zijn afgestemd op hun project.
Bovendien zullen drie belangrijke vragen ongetwijfeld ook leiden tot een aantal onderzoeksprojecten.
Hoe kunnen we het evenwicht tussen gebruik-natuurlijke omgeving verbeteren door middel van architectuur?
Deze vraag beoogt de integratie van een kwantitatieve, kwalitatieve en symbolische dimensie van de natuurlijke omgeving in de architectuur om bij de gebruikers een verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van het milieu op te wekken. Op die manier gaan mensen meer rekening houden met het buitenklimaat en zullen ze zich bijvoorbeeld anders kleden, waardoor ze minder energie verbruiken (de thermostaat wordt een graadje lager gezet en mensen trekken een trui aan).
Hoe kunnen we mensen laten samenleven door tegelijk rekening te houden met de individuele dimensie en een collectieve dimensie voor te stellen?
Het onderzoek naar een verdichting van de ruimte moet gepaard gaan met het respect voor de individuele dimensie. Bij projecten rond geconcentreerde bewoning moeten ruimten voorzien worden voor de overgang publiek/privé en dient een psychologische afstand bewaard te worden.
Hoe kunnen we ons de ruimten die we erfden van vorige generaties toe-eigenen en tegelijk deze ruimten ook overlaten aan andere generaties?
Om de afdruk van gebouwen zoveel mogelijk te beperken, moeten bestaande structuren hergebruikt worden en moeten er nieuwe functies toegekend worden door aanpassingen uit te voeren aan het gebouw. Dit open concept vereist een nieuwe aanpak, een nieuwe filosofie.
PFO





